‘Niemand mag in slaap vallen bij mij’

Pierre Wind

Pierre Wind is bekend van programma’s als De Eetfabriek, Kookvanjou en Grazend Nederland. Minder bekend is dat hij sinds 1989 leerkracht is bij het Mondriaancollege in Den Haag. Twee keer per week staat hij voor de klas. ‘Ik ben gemeen, maar eerlijk.’

“Meneer, weet u misschien waar de weegschaal is?”
In de hal van het Mondriaancollege kijkt Pierre Wind de tweedejaars verstoord aan. “Zo praat ik niet met je.” De jongen druipt direct af. “Hij draagt geen sjaal, geen sloof, geen doek”, legt Wind uit. “Hij komt bij wijze van spreken in zijn pyjama aan. Wie hier rondloopt, moet zijn correcte kloffie aanhebben.”
Even later keert de tweedejaars correct gekleed terug. “Nu houd ik weer van je”, zegt Wind. “Wat wilde je weten?”
Het is maandagochtend. De komende twee weken runnen leerlingen van de opleiding Horeca & Facilitaire Dienstverlening één van de vijf restaurants in het Mondriaancollege. Voor twee tweedejaars staat er vandaag veel op het spel. Zij zijn chef-kok en sous-chef. Onder hun begeleiding moet een handvol eerstejaars á la carte koken voor vijftig man. Wind beoordeelt hoe ze dat doen. “Het is een hell of a day voor ze”, weet hij.
De chef-kok begint met een instructie aan de eerstejaars, zodat zij straks aardappelpuree en –kroketten kunnen maken. Na vijf minuten fluistert Wind: “Zie je die keukenploeg? Iedereen valt in slaap. Zoals het er nu uitziet, scoort hij voor dit onderdeel onvoldoende.” Even daarvoor stuurde Wind twee eerstejaars weg. Beiden waren te laat. En bij docent Wind kom je er dan niet meer in.

Is het nodig om zo streng te zijn?
“Als je geen hiërarchie hebt, kan je wel inpakken. Heb je geen koksmuts op? Naar huis! Kom je te laat? Wegwezen!”
“Het gaat om discipline. Op tijd komen en correct eruit zien. Wat je privé doet, moet je zelf weten, maar in een sterrenrestaurant word je als een klein jongetje opgevoed. Ook voor school is opvoeden een belangrijke taak. Niet meer alleen focussen op weetjes en feitjes, maar ook investeren in de manier waarop iemand zich gedraagt.”

Hoe zien de leerlingen je?
“Als meedogenloos streng, maar wel consequent. Gemeen, maar eerlijk. Ik laat me niet beïnvloeden door een uiterlijk of een zielig verhaal. Jij bent jij en je moet gewoon je ding doen. Als je doet wat je moet doen, heb je bij mij een heerlijk leven. Doe je je ding niet, dan krijg je een drie.”
“Pedagogisch is het niet verantwoord, maar je zou eens moeten optellen hoe vaak ik dildo tegen een student zeg. Domme acties zijn dildo-acties. Bijvoorbeeld iets in de pan gooien zonder eerst het recept te lezen.”

Wat moet een goede docent kunnen?
“Je moet kunnen boeien. Zonder boeien geen overdracht. Goede docenten die ik mij herinner, hadden ook in het theater kunnen boeien. Of in de bieb door een verhaal voor te lezen. Of met anekdotes op een verjaardag. Overigens kunnen ook saaie docenten boeiend zijn. Mijn leraar Duits en geschiedenis op de middelbare school boeide door zijn saaiheid.”
“Voor mij is de klas een podium. Toen ik in 1989 begon gaf ik twee uur lang een show weg. Ik dacht: niemand mag in slaap vallen bij mij. Ik maakte de theorie leuker door proefwerken in de vorm van een kruiswoordpuzzel of rebus op te stellen. Lesstof moet leuk zijn om te doen. Ik zorg ervoor dat mijn Smaaklessen (een lesprogramma over voeding en voedsel voor het basisonderwijs, red.) in alle facetten boeien. Anders doe je het voor niks.”

Je bent beroemd. Waarom sta je nog voor de klas?
“In elk geval niet voor de verdienste. Het verdient echt helemaal niks. Het zijn bij wijze van spreken voorrijkosten. Nee, nog niet eens.”
“Ik doe het uit eigen belang. Ten eerste wil ik contact houden met de jeugd. Alle trends zie ik hier voorbijkomen voor ze trends zijn. Een ander voordeel is dat ik met eten bezig ben. Als ik een ideetje heb, probeer ik het hier even uit. Verder roep ik al jaren dat mensen uit de praktijk parttime het onderwijs in moeten. Iedereen heeft altijd maar commentaar. Je moet niet alleen roepen dat het beter kan. Je moet wat doen.”
“Een dag per week zou mij beter uitkomen, maar dan ben je zo’n vreemde eend in de bijt. Het valt nu al niet mee om die namen te onthouden.”

Is fulltime voor de klas ook een optie?
“Daar heb ik het karakter niet voor. Te saai. En te zwaar. Doceren is ondergewaardeerd. Zonder de vakanties zou je na tien jaar geen docenten meer overhouden en zou het Riagg volgeboekt zijn. Die scholieren zuigen echt leven uit je.”

Vergader je veel?
“Ik ben een mooi weer docent. Aan de vervelende dingen doe ik niet mee. Die twee dagen hier beschouw ik als mijn vrije dagen. Ik werk vijf dagen in de week voor mezelf. Voordat ik hier ben, heb ik er vaak al een hele werkdag op zitten. Ik doe heel veel: foodstyling, optreden, workshops. Iets groots waar ik mee bezig is een Smaakparadijs in Scheveningen: een Disneyachtig pretpark gericht op smaak en eten.”

Hoe kwam je voor de klas terecht?
“Toen ik 25 was, werkte ik al acht jaar in de horeca. Ik kwam net uit het succes van de experimentele keuken: dropsoep, zuurkoolijs. Lesgeven leek me leuk, dus toen ben ik hier fulltime voor de klas gaan staan. Zonder lesbevoegdheid: dat kon toen nog. Na een jaar ben ik gestopt. Ik vond mezelf te jong. Ik wist niet genoeg.”
“Naast een volledige baan als chef-kok heb ik wel de lerarenopleiding aan de Pedagogisch Technische Hogeschool, Consumptieve Techniek, afgemaakt. Ik kreeg een groene trui, omdat ik met de hoogste punten slaagde. Ik ben een perfectionist. Tijd is voor mij geen drempel. Vroeger zei men: ‘Als Wind de LTS haalt, is het mazzel hebben.’ Ik volgde de lange weg: LTS, MAVO. Nog steeds wil ik mezelf bewijzen. Ooit wil ik doctorandus worden in de levensmiddelentechnologie. En promoveren.”

Waar komt die ambitie vandaan?
“Ik heb vroeger op de stotterschool gezeten. Na twee jaar speciaal onderwijs stroomde ik in bij de tweede klas van de basisschool. Als ze me daar niet naar toe hadden gestuurd, was het nooit wat geworden met me. Ik heb er leren praten. Voor die tijd deed ik drie minuten over het woord appel. Daarom praat ik nu, denk ik, zo snel. Als de woorden er eenmaal uit zijn, kan het niet meer misgaan.”
“Negen jaar voor de Eetfabriek was ik al betrokken bij een pilot voor een culinair eetprogramma. Ik zou het presenteren, maar het lukte niet. Ik deed twee uur over de zin ‘we zijn in Scheveningen’. Toen ik later benaderd werd om de Eetfabriek te presenteren, legde ik mijn cameravrees voor aan Bart Chabot. Hij sprak de magistrale woorden: ‘Wind, ik geloof in alles wat je doet als het maar natuurlijk is. Een camera ziet alles. Als je eerlijk bent, zal je geen cameravrees hebben, want dan ben je gewoon zoals je bent.’ Vanaf dat moment heb ik nooit meer een probleem gehad. Ook een goede tip voor beginnend leerkrachten: doe je niet anders voor dan je bent.”

Hoe hoop je dat leerlingen later aan je terugdenken?
“Iedereen heeft in z’n leven wel een docent gehad die je is bij gebleven. In positieve of negatieve zin. Ik hoop dat ze later zeggen: ik heb wel wat geleerd van die gozer.”

(Interview voor Straksvoordeklas, een uitgave van de Algemene Onderwijsbond)